friesland-01.png
 
 

friesland

Die plek waar ik ben opgegroeid is een aards sterrenstelsel, een greep uit het verleden.
in plaats van sterren staan er molens, in plaats van een melkweg zijn er sloten.
Waar mijn jeugd zich heeft laten bepalen door het deinen van het IJsselmeer, 
Door de meervoud van de talen die daar worden gesproken en zijn opgeslagen.

Waar ik de eerste pizza’s draaide die mijn zakken met munten vulden.
Waar ik precies zei wat ik moest zeggen, soms net iets meer.
En waar ik leerde niet te zoenen in de kroeg, maar in het steegje.
Achter een dijk staan schuilen, waar je s’nachts koeien om kon duwen.
Voor het stuwen van de regen.

Ik zeg gedag zoals ik doei zeg.
De zelfde 3 letters.
H-O-I
Licht nazaal als ik moet aandikken waar ik vandaag vandaan kom.
HOOOOOOOOOOOOOOOOOI

Ik verlang soms naar de geur van aarde met vertrapt gras,
waar bier al dagen tussen heeft liggen baden.
Ik verlang soms naar houten planken, die glibberig zijn van het feesten.
Waar iedereen minstens wel 1 keer over heen is gegleden.
Of op heeft lopen stampen.
Misschien is het wel een afzetting tegen de dag dat we er allemaal zelf onder liggen.
Onder die houten planken. Onder dat met bier doordrenkte gras wat wortelt in de aarde.

Waar wij ooit onbezorgd waren.
En waar we veelste veel dronken.
Goten veelste veel liters in onze veelste jongen monden.
Zoende met die zelfde lippen veelste veel mensen, zorgde daarmee voor veelste veel vragen.

Ik kan niet meer tellen hoeveel.
kilometers ik tegen de wind in heb gelopen, boven op de dijk van onze bescherming.
Of op de fiets met mijn middelbare school als bestemming.
Hoeveel golven ik op de stenen pier over mijn heen heb laten klimmen, wanneer de storm het water hoger op tilde dan onze Friese trots.
Hoger dan de huizen om ons heen.

Hoeveel rondjes ik heb gezeten, met 1 been zijlings door het gat gestoken en het andere bungelend naar beneden.
De ketting vast gehaakt, de muntjes afgegeven.
Hoevaak ik mij heel hoog heb laten zweven.
Geduwd door sterke mannen handen, die er allemaal het zelfde uitzagen.
Op plekken waar ik ze nu niet meer zou tolereren iets te hoog tussen deze benen.
En dat ik dan vanuit het bakje mijn wereld zag vergroten en verkleinen. 

Tot aan misselijkmakend toe.
Maar dat gaf toen nog niks.
Dat was toen nog geoorloofd.
Dat was toen gewoon nog een beetje spannend.

Waar mijn ouders mij leven gaven. 
Iets wat ontsprong uit mijn vader en mijn moeders handen.
Waar ik groeide als weelderige bossen,
Groene sprieten kreeg, bloemen met duizend bladeren.
Gevouwen, lagen over lagen.
Waar de pompbleden van mijn rode huid zich ontvouwden tot maple leaves.

Als ik een hart zie vraag ik mij altijd af waarom die twee ronde helften elkaar raken in zo’n harde punt.
Mijn harten hadden altijd een zacht midden.
Mijn 2 helften ontmoette elkaar altijd in een boog, een continue lijn geen hoeken, haken of ogen.
Maar licht rond tegen elkaar gebogen.
Mijn eigen hart staat ook nooit recht, maar altijd een beetje leunend, scheef opzij gegleden.
Zoals op onze wapperende vlag.

Waar ik vandaan kom spoelt er bloed als rode draad door onze sloten, daar waar wij met hoge latten de overkant proberen te bereiken.
Onder het mom van sterke verhalen, op de leugenbolle bank elkaar in woord vertalen.

Ik heb een eindeloze hoeveelheid zandkorrels met mij mee gedragen.
Heb gekeken naar de reflectie van mijn onaangetaste jeugd in het Friese water.
En beloof mijzelf voor later, altijd bij deze kust terug te komen.
De woorden die ik nog weet onuitgesproken met mij meegenomen.
Nogmaals in het bakje zweven, muntje afgegeven.
Om weer even te kunnen weten, 
waar ik begon met leven.