Untitled_Artwork-5.jpg
 
 

De vuurtorens

Ik ben het die hier is,
Ik ben mijn as, ik ben de bodem.
De spil waarom ik draai.
Op mij moet ik vertrouwen.
Ik ben de rode draad.
De redder in nood, de gene die gaat verschijnen.
En zal schijnen, als een vuurtoren, ik ben het licht.

Door vuren zal ik gaan.
Voor poorten zal ik staan van hel en van nog erger.
Reddingsvesten moet ik dragen.
Vuurtorens zal ik zijn, ik zal schijnen.
Ik ben het licht.
Waar ik altijd naar terug moet keren.

In dit licht moet ik verkeren, er is hier een ziel, er is een hart, er staat een lichaam.
Ik ben een vrouw, ik ben de moeder, ik ben aarde, ik ben voeten.
Er is hier een stam.
Altijd al geweest, er zijn hier tenen die zijn geworteld.
In blauwe klei en in zilt water.

Ik draag al jaren al mijn jaren met jaar en dag met mij mee.
Er is niemand anders die dit lichaam huist, er voor zorgt, het verwaarloost, het verleid, het liefde geeft, het leid.
Ik ben de leider.
De vuurtoren, ik ben het licht.

Er staan paden, dagen, mannen, vrouwen, er staan mensen.
Tegen mij aan geleund, voor mij uit gekeken.
Er staan beesten.
Er zijn woorden, leuzen, zinnen.
Er valt hier van alles nog te winnen.
Er is een begin en er is beginnen.

Er zijn moeders waar ik op zal lijken, als dijken, als groen, als bescherming van nu en toen.
Er zijn moeders waar ik voor zal strijden.
Er staan vrouwen naast mijn voeten, in mijn voegen, langs mijn lijnen, er zijn lijven.
Ik lijf ze, verwrijf ze, voer ze met mij mee.
Van binnen blijven ze binnen, ze zitten in me.

Dit is een baken, er is hier hoop, er is hier liefde, ik heb hier lief, ik verlief ze.
Alle ogen, die glooiende monden, de harten die zich in mijn handen worpen, hun haren in mijn vingers lieten glijden, de woorden uit mijn mond aten, mijn adem spaarde, om zelf te kunnen groeien.
Mij mee te nemen mij te boeien, onze lichamen verbloeien, dit zijn mijn vrouwen.
Die zich in mij mogen vouwen, het zijn de lijven die ik lief heb, de vuren waar ik van kan houden, het zijn de kwetsbare en de strijders, het zijn de leiders.
De boeien, de vuurtorens die licht geven, het leven.
Wij zijn het licht.

Wij vrezen niet meer voor wat gaat komen,
wij zijn de bodem.
De lijnen die we moeten gaan lopen,
de woorden die onze taal gaan maken.
Wij zijn het baken.

Wij zijn het die hier zijn,
wij zijn onze as, wij zijn de bodem.
De spil waarom wij draaien.
Op ons moeten we vertrouwen.
Wij zijn de rode draad.
De redders in nood, de gene die gaan verschijnen.
En zullen schijnen, als vuurtorens, wij zijn het licht.
Waar wij naar terug keren, waar wij in zware stormen ons naar toe laten drijven.
Wij zijn de lusten en de lasten, de laatsten die zullen knielen.
Wij zijn de wielen die voortbewegen,

wij zijn het leven.